De euforie van morfine en leer
05/08/2026
Door Arian Visser
Het was een verwarrende tijd voor me. Ze woonde in een studentenhuis vol vreemde vogels. Naast haar woonde een kunstzinnig stel met bovenmatig veel metaal in het lichaam. Verderop zat Tom, een adonis die bijna dagelijks een andere dame welkom heette. En boven woonde een stel met een voorkeur voor opmerkelijk speelgoed.
Op het dakterras voor haar studentenflatje – 1989
Ik was 21 jaar oud. Tot dan toe zag ik niet meer van de wereld dan het ouderlijk huis en het kinderziekenhuis in Utrecht. Ineens stabiliseerde mijn gezondheid. Ik was maagdelijk jong en kwam pardoes in dit studentenhuis terecht. Mijn ontgroening verliep als een atoombom: Tom vertelde openlijk over wat hij allemaal met zijn bezoeksters deed, en het stel van boven liet onbeschaamd hun leren ondergoed en mysterieuze speeltjes zien. Eén van hen, Arnold, vroeg of ik soms iets wilde lenen. Ik informeerde naar het weer.
Ik herinner me hoe nieuwsgierig ik alles in me opnam. Het paste bij mijn groeiende besef dat ik ouder werd dan ooit voorspeld. De puberteit, met haar tientallen ziekenhuisopnames en onzekerheden, lag eindelijk achter me.
Mijn longfunctie bedroeg nog maar dertig procent, maar ik was stabiel. Ik stopte met mijn studie – zo oud zou ik waarschijnlijk ook weer niet worden – en werd voor het eerst verliefd. Ik was klaar met ziek zijn en stortte me gulzig op het leven.
Zomer
Ik leerde Linda in 1989 kennen tijdens een zomerkamp van de stichting Fibrosekinderen Op Kamp. Ze was iets ouder. Alle deelnemers waren groot geworden in het tijdperk van vetarm eten. Op warme dagen ontdeden we ons van wat bovenkleding en heimelijk bekeek ik soms al die tonthoraxen, met ribben als de houten staven van een xylofoon. Ik voelde me allerminst bekoorlijk en het duurde even voor ik door had dat ze een oogje op me had. Op de laatste dag werden we gekoppeld. Dit verhaal zou ik overigens compleet kunnen verzinnen: vrijwel niemand van dat zomerkamp leeft nog. Na de kampweek bezocht ik haar in het verrassende studentenhuis veelvuldig. Onze relatie duurde uiteindelijk negen maanden. We gingen als vrienden uit elkaar.
Een jaar later overleed ze. Enkele uren voor ze stierf bezocht ik haar. Ze twijfelde, of ze de morfine zou accepteren die haar arts voorstelde. Een weg terug was er niet meer: ze was te ziek. Morfine werd ingezet wanneer genezing niet meer mogelijk was en de benauwdheid ondraaglijk was. Een menselijke manier om de laatste uren te verzachten. Soms had het middel een opmerkelijk bijeffect: een bijna euforische opleving. Ik heb meer mensen met CF meegemaakt die opgewekt gingen babbelen, totdat ze rustig wegzakten. Op haar anti-doorligmatras vroeg ze zacht: ‘Is kiezen voor morfine niet een vorm van zelfmoord?’ Ze was bang. Bang voor het oordeel in het hiernamaals. Ik stelde haar gerust. Genezen was onmogelijk en morfine zou verlichting brengen. Ze werd rustig, viel in slaap en overleed diezelfde nacht.
Urenlang huilde ik in de armen van mijn nieuwe liefde: een verpleegkundige die kort daarvoor had verteld dat ze verliefd op me was. Ze gaf daar met zoveel toewijding lichamelijk uiting aan dat mijn hormonen volkomen reddeloos waren. Samen bezochten we mijn eerste café, bezochten we clubs, en vlogen naar Corfu.
Ik haalde mijn rijbewijs en kocht een auto – 1989
Fluisteringen
Het hield niet op. Ik haalde mijn rijbewijs, kocht een auto en ging op mezelf wonen. Intussen bleef ik maar vrienden met CF verliezen. Rouwkaarten gleden gestaag door de brievenbus. Dat wende nooit. Elke rouwkaart kwam weer keihard binnen. Onlangs choqueerde het mijn vrouw, toen ze de volle schoenendoos hier aantrof.
Alles wat ik meemaakte kreeg het vreemde aureool ‘ik wel, zij niet’. Nooit zouden zij het geluk van verliefdheid kennen. Van het plezier van zelfstandigheid. Van leren ondergoed.
Mijn leven denderde door. Niet vanzelf, niet zonder pijn, en mede dankzij de medische wetenschap, maar mijn kwartje bleef steeds de goede kant op vallen. Drie weken geleden kreeg onze achttienjarige telg haar middelbareschooldiploma. Als vader keek ik met emoties en trots. Opnieuw was er die korte fluistering: ik wel, zij niet. En het besef dat ik niet alleen absurd lang leef, maar iets van mij zelfs voortleeft in haar.
Mijn vrouw gebruikt weleens de term survivor’s guilt, maar dat is het niet. Het is geen schuldgevoel waar ik last van heb. Het is de simpele constatering van het absurdisme. Het leven is voor mij willekeurig, inconsistent en in de kern a-rationeel.
___
Alle namen in deze blog zijn gefingeerd omwille van de privacy
Steun mensen met taaislijmziekte
CF is nog altijd een ziekte die niet te genezen is. Om dit te veranderen, is nog veel onderzoek nodig. Wij zetten ons in voor een langer en beter leven met CF. Geef jij ook om taaislijmziekte?
Doneren »